Strafrechtelijke wetsartikelen bij de aanpak van drugsafval
Laatst gewijzigd op: 01-06-2026De strafrechtelijke aanpak van drugsafval richt zich op het opsporen, vervolgen en bestraffen van daders die betrokken zijn bij de productie, het transport en het dumpen van drugs.
Het strafrecht maakt het mogelijk om diep in te grijpen, bijvoorbeeld door opsporingsbevoegdheden, hoge gevangenisstraffen, inbeslagname, het onttrekken van goederen aan het verkeer. En het opleggen van een vordering voor wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat betekent dat de veroordeelde geld moet terugbetalen dat met strafbare feiten is verdiend, als de rechter die vordering helemaal of voor een deel toewijst. Deze bedragen lopen vaak fors op, zeker bij drugsdelicten.
Hieronder staat een overzicht van strafrechtelijke wetsartikelen die ingezet kunnen worden bij de aanpak van drugsafval. Deze bepalingen bieden het juridische kader voor strafrechtelijk optreden en sluiten vaak aan op bestuursrechtelijke maatregelen binnen een integrale aanpak.
Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengt, wordt gestraft:
- met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is;
- met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft.
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
- binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
- te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
- aanwezig te hebben;
- te vervaardigen.
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
- binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
- te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
- aanwezig te hebben;
- te vervaardigen.
-
- De opsporingsambtenaren hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:
– tot de vervoermiddelen, met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is, of waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede ingevoerd of vervoerd worden of dat daarin, daarop of daaraan bewaard worden of aanwezig zijn middelen als bedoeld in lijst I of II;
– tot de plaatsen, waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt. - Zij zijn bevoegd een persoon, verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken.
- Zij zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
- De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden is bevoegd een persoon die zojuist binnen het grondgebied van Nederland is binnengekomen of die op het punt staat dit grondgebied te verlaten, en die is aangehouden terzake van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, een vordering te geven tot medewerking aan een urineonderzoek, gericht op het aantonen van de aanwezigheid in het lichaam van middelen als bedoeld in lijst I of II.
- De opsporingsambtenaren hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang:
- Hij die om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10, voor te bereiden of te bevorderen:
– een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
– zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
– voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. - Niet strafbaar is hij die de in het eerste lid omschreven feiten begaat met betrekking tot het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.
Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.
- De in artikel 10, eerste lid, 10b, eerste lid, en artikel 11, eerste lid, strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
- De in de artikelen 10, tweede tot en met zesde lid, 10a, eerste lid, 10b, tweede lid, 10c, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a en 11b strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven.
- De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan:
– een der in artikel 10a, eerste lid, strafbaar gestelde feiten voorzover die zijn gepleegd om het in artikel 10, vijfde lid, strafbaar gestelde feit voor te bereiden of te bevorderen, dan wel
– poging tot of deelneming aan het in artikel 10, vijfde lid, strafbaar gestelde feit. - De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een der in artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, artikel 10a eerste lid, 10b, tweede lid, 10c, artikel 11, tweede tot en met vierde lid, en artikel 11a strafbaar gestelde feiten, indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel.
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 33 tot en met 34 en 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6:1:12 van het Wetboek van Strafvordering worden de in lijst I of II bedoelde middelen verbeurd of aan het verkeer onttrokken verklaard.
Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften gesteld bij of krachtens:
- de artikelen 3, tweede, derde, zesde lid en lid 6 bis, en 8, eerste en tweede lid, van Verordening nr. 273/2004 en de artikelen 6, eerste lid, 7, eerste lid, 8, eerste lid, 9, 12, eerste lid, en 20 van Verordening nr. 111/2005;
- artikel 3, achtste lid, van de Gedelegeerde Verordening;
- de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste, tweede en derde lid, 5, eerste tot en met zesde lid, en 7, eerste alinea, van Verordening nr. 273/2004, de artikelen 3, 4, 5, 14, tweede lid, en 22 van Verordening nr. 111/2005 en de artikelen 3, eerste en negende lid, 5, eerste lid, eerste alinea, van de Gedelegeerde Verordening, de artikelen 6, eerste alinea, 7, eerste lid, en 11, achtste, negende en tiende lid van de Uitvoeringsverordening.
- Indien er een redelijk vermoeden bestaat dat geregistreerde stoffen als bedoeld in Verordening nr. 273/2004 en Verordening nr. 111/2005 bestemd zijn voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, verbiedt Onze Minister het binnen of buiten het douanegebied van de Unie brengen van deze stoffen.
- Het is verboden te handelen in strijd met een verbod als bedoeld in het eerste lid.
- Onze Mnister kan een verbod als bedoeld in het eerste lid opheffen.
Wordt ingezet bij drugsafval vanwege de milieuverontreiniging en de bijdrage aan de productieketen van synthetische drugs; overtredingen zoals het dumpen van drugsafval vallen onder economische delicten omdat ze een gevaar vormen voor het milieu en de volksgezondheid.
- Artikel 1a WED: Definieert specifieke economische overtredingen die niet onder artikel 1 vallen, zoals overtredingen van specifieke wetten en regelingen.
- Artikel 2 WED: Maakt de indeling. Economische delicten (uit art. 1 en 1a) zijn over het algemeen misdrijven als ze opzettelijk zijn begaan, en overtredingen als er geen sprake is van opzet.
- Artikel 6 WED: Bepaalt de maximumstraffen. Dit omvat gevangenisstraffen tot 4 jaar voor misdrijven (of 6 jaar bij gewoonte) en hechtenis tot één jaar voor overtredingen, met bijbehorende geldboetes.
De Wet op de economische delicten (WED) is primair een bijzondere wet binnen het strafrecht, die overtredingen van economische en milieuregels (vaak uit het bestuursrecht) aanmerkt als economische delicten. Het verbindt bestuursrecht en strafrecht door overtredingen strafrechtelijk te sanctioneren (misdrijven/overtredingen), wat kan leiden tot een strafblad. De bevoegdheid om op grond van de WED te controleren komt ook enkel toe aan boa’s (en niet aan toezichthouders), vanwege het strafrechtelijke aspect.