Bestuursrechtelijke wetsartikelen bij de aanpak van drugsafval
Laatst gewijzigd op: 01-06-2026Het dumpen en lozen van drugsafval brengt directe risico’s met zich mee voor milieu, gezondheid en veiligheid. Bestuursorganen kunnen hiertegen optreden met bestuursrechtelijke instrumenten. Die maken het mogelijk om snel in te grijpen, schade te beperken en verantwoordelijkheden neer te leggen waar ze horen.
Hieronder staat een overzicht van relevante wetsartikelen en toelichtingen die in de praktijk worden gebruikt bij de regels voor de overheid bij de aanpak van drugsafval. Deze bieden handvatten voor toezicht, handhaving en het nemen van maatregelen, ook als er geen strafrechtelijk optreden is.
Drugsafval en Omgevingswet
Veel artikelen die eerder werden gebruikt bij de aanpak van drugsafval, zijn sinds 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. Voor een overzicht van de artikelen zoals die voor de inwerkingtreding golden, en van de plek die zij in de Omgevingswet hebben gekregen, kun je de transponeringstabellen bij de invoeringswet Omgevingswet raadplegen. Ook de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO) biedt veel informatie over de wijzigingen sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Overtrederschap
Sinds de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 mei 2023 over het overtrederschap, is het lastiger geworden om natuurlijke personen en rechtspersonen die niet zelf de feitelijke overtreding hebben begaan, als overtreder aan te merken.
Zie hierover ook: Afdeling bestuursrechtspraak nuanceert rechtspraak over het begrip ‘overtreder’ van de Raad van State en De Afdeling nuanceert het bestuursrechtelijke overtredersbegrip: een beschouwing van Stibbe.
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
- een middel als bedoeld in lijst Iof IIdan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in artikel 2a, tweede lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
- een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, of artikel 11avoorhanden is.
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
De zorgplicht uit artikel 13 Wet bodembescherming is per 1 januari 2024 komen te vervallen. Onderdelen daarvan zijn op verschillende plaatsen in de Omgevingswet teruggekomen. Voor meer informatie over deze wijziging en de doorwerking daarvan bij bodem en leefomgeving zie Informatiepunt Leefomgeving, kenniscentrum van de overheid.
- Artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet: algemene zorgplicht
Artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet bevatten een algemene zorgplicht voor iedereen. Die houdt in dat voldoende zorg moet worden betracht voor de fysieke leefomgeving. Artikel 1.7 verplicht om maatregelen te nemen, of activiteiten te staken, als dat nodig is om nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze bepaling werkt als vangnet als meer specifieke regels ontbreken.
Afdeling 19.1 Omgevingswet: ongewoon voorval
Afdeling 19.1 van de Omgevingswet regelt wat moet gebeuren bij een ongewoon voorval, zoals een storing, ongeval of ramp, die nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Degene die de activiteit verricht, moet direct maatregelen nemen om de gevolgen te beperken, het voorval te stoppen en herhaling te voorkomen. Ook moet het voorval direct worden gemeld bij het bevoegd gezag, vaak de gemeente of provincie.
Deze bevoegdheid staat naast en los van de gewone handhavingsbevoegdheden Niet ieder ongewoon voorval is namelijk het gevolg van een overtreding (zie hieronderxtra toelichting)
Volgens de wetgever (Kamerstukken II, 2013/14, 33962, nr. 3, p. 589) is de last tot het treffen van maatregelen een specifieke bevoegdheid naast en los van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang in geval van een overtreding (hoofdstuk 18).
Artikel 5:2, tweede lid, Awb maakt hiertussen uitdrukkelijk onderscheid: ‘geen bestuurlijke sanctie is de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen’. De bevoegdheid tot het laten treffen van maatregelen bij een ongewoon voorval is volgens de wetgever dus geen bestuurlijke sanctie.
Dit laat onverlet, dat – wanneer duidelijk is dat het ongewoon voorval door een overtreding is veroorzaakt – het bevoegd gezag ook, al dan niet in de plaats van deze bevoegdheid, gebruik kan maken van de last onder bestuursdwang of de last onder dwangsom om de ontstane nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te laten verhelpen.
Definitie: Een gebeurtenis die afwijkt van de normale bedrijfsvoering en die aanzienlijke nadelige gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving.
Zorgplicht: Degene die de activiteit verricht, moet onmiddellijk maatregelen nemen om nadelige gevolgen te beperken, ongedaan te maken, verergering te voorkomen en de oorzaak weg te nemen.
Melding: Een ongewoon voorval moet direct worden gemeld aan het bevoegd gezag.
Informatieplicht: Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (bruidsschat) verplichten tot het verstrekken van gegevens over het voorval, zoals de oorzaak en de genomen maatregelen.
Bevoegd gezag: meestal is de gemeente bevoegd gezag, tenzij de provincie bevoegd is voor de milieubelastende activiteit.
Artikel 1.7a van de Omgevingswet bevat een algemeen verbod dat als vangnet werkt. Het verbiedt activiteiten te verrichten die aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving veroorzaken of dreigen te veroorzaken. Deze bepaling vult de zorgplicht aan en biedt een basis om op te treden als specifieke regels tekortschieten.
In artikel 1.3 van het Omgevingsbesluit is uitgewerkt wanneer sprake is van zulke aanzienlijke gevolgen en voor welke gevallen het verbod geldt.
Artikel 1.7a Omgevingswet
Het is verboden een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Bij algemene maatregel van bestuur wordt dit verder uitgewerkt of begrensd.
Artikel 1.3 wijst onder meer de volgende situaties aan:
- het direct of indirect stoffen, trillingen, warmte of geluid in water, bodem of lucht brengen, waardoor aanzienlijke schade aan de kwaliteit van water, bodem of lucht of aan landschappen, natuur of cultureel erfgoed ontstaat of dreigt te ontstaan;
- het met het oog op het gebruik van de bodem in of op de bodem brengen van stoffen of activiteiten die erosie, verdichting of verzilting tot gevolg hebben, als dat leidt tot aantasting of dreigende aantasting van de bodem; en
- het verwaarlozen van een beschermd landschap, beschermde natuur of beschermd cultureel erfgoed, als dat aanzienlijke nadelige gevolgen heeft of dreigt te hebben voor de beschermde waarden.
Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder c, wordt onder beschermd verstaan: beschermd bij wettelijk voorschrift of besluit op grond van de wet of een andere wet.
Artikel 2.11 van het Bal bevat een specifieke zorgplicht voor degene die een milieubelastende activiteit verricht of een lozingsactiviteit uitvoert op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk. Diegene is verplicht:
- alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
- voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
- als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 22.44 bruidsschat omgevingsplan
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 22.42, is verplicht:
- alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
- voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
- als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 22.44 van de bruidsschat van het omgevingsplan bevat een specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten. Die is vrijwel gelijk aan de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal.
De specifieke zorgplicht geldt voor alle milieubelastende activiteiten die de bruidsschat regelt, en waarvoor niet al een specifieke zorgplicht is gesteld in het Bal. Ook als er algemene regels in het omgevingsplan staan voor die activiteit. En ook als er vergunningvoorschriften gelden voor die activiteit.
Artikel 2.4 van de bruidsschat in de waterschapsverordening bevat een specifieke zorgplicht voor lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of op een zuiveringtechnisch werk. Deze bepaling verplicht lozers om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Daarbij kan ook het toepassen van passende preventieve maatregelen en de best beschikbare technieken aan de orde zijn, vergelijkbaar met het Bal artikel 2.11.
>> Meer informatie hierover staat op de pagina van het Informatiepunt Leefomgeving.
Artikel 10.1 van de Wet Milieubeheer bevat een algemene zorgplicht voor afvalstoffen.
- Een ieder die handelingen met betrekking tot afvalstoffen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
- Het is een ieder bij wie afvalstoffen ontstaan, verboden handelingen met betrekking tot die afvalstoffen te verrichten of na te laten, waarvan hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.
- Het is een ieder verboden bedrijfsmatig of in een omvang of op een wijze alsof deze bedrijfsmatig was, handelingen met betrekking tot afvalstoffen te verrichten, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs had kunnen weten, nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan.
- Onder handelingen als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval verstaan: inzamelen of anderszins in ontvangst nemen, bewaren, nuttig toepassen, verwijderen, vervoeren of verhandelen van afvalstoffen of bemiddelen bij het beheer van afvalstoffen.
- De verboden, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden niet voor zover deze handelingen betreffen, die degene die deze verricht, uitdrukkelijk zijn toegestaan bij of krachtens deze wet, een in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wet, de Omgevingswet of de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
Sinds 1 januari 2024 is het Bouwbesluit 2012 opgegaan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Gemeenten hebben daarnaast via de zogenoemde bruidsschat tijdelijke regels in hun omgevingsplan gekregen.
De artikelen 22.18 en 22.20 van de bruidsschat bieden gemeenten een grondslag om op te treden tegen hinder en risico’s die samenhangen met het gebruik van bouwwerken, ook als die niet direct onder specifieke technische voorschriften vallen. Daarmee vormen zij in de praktijk een opvolger van het oude artikel 7.22 Bouwbesluit 2012.
Belangrijke wijzigingen en continuering:
- Vanaf 1 januari 2024 geldt het Bbl voor het bouwen, gebruiken en in stand houden van bouwwerken.
- De artikelen 22.18 en 22.20 uit de bruidsschat van het omgevingsplan bieden de basis voor gemeenten om hinder te bestrijden die niet direct onder specifieke technische regels valt.
- De bruidsschat bevat tijdelijke regels die van het Rijk naar de gemeente zijn overgegaan, waaronder ook bepalingen over bijvoorbeeld aansluitingen en veiligheid.
- Bij het bouwen of verbouwen van een bouwwerk moeten de regels in het Bbl en het omgevingsplan in acht worden genomen Informatiepunt Leefomgeving.
Artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet bepaalt dat bij een algemene maatregel van bestuur (AMvB) regels worden gesteld over bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en in stand houden van bouwwerken. Dit vormt de wettelijke grondslag voor rijksregels over bouwen en slopen.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de volgende activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving:
a. bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en het gebruik en het in stand houden van bouwwerken,
b .milieubelastende activiteiten,
c. lozingsactiviteiten op:
1°.een oppervlaktewaterlichaam,
2°.een zuiveringtechnisch werk,
d. wateronttrekkingsactiviteiten,
e .mijnbouwlocatieactiviteiten,
f. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot:
1°.een weg,
2°.een waterstaatswerk,
3°.een installatie in een waterstaatswerk,
G .het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden,
h .activiteiten die cultureel erfgoed betreffen,
i. activiteiten die werelderfgoed betreffen,
j. Natura 2000-activiteiten en activiteiten met mogelijke verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied,
De oude zorgplichtbepaling uit artikel 1a Woningwet is per 1 januari 2024 vervallen. Binnen het stelsel van de Omgevingswet is de zorgplicht op een andere manier teruggekomen.
Bron: Lawcat
Overgangsrecht Besluit lozen buiten inrichtingen
Voor het Besluit lozen buiten inrichtingen geldt overgangsrecht voor onder meer de melding, het verstrekken van gegevens, de gelijkwaardige maatregel, het maatwerkvoorschrift en uitzonderingen of voorwaarden. Zie voor meer informatie hierover het Informatiepunt Leefomgeving.
Een deel van de Waterwet is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. Dat geldt ook voor artikel 6.2 Waterwet
De volgende verboden zijn overgegaan naar het nieuwe stelsel:
- Het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk (artikel 6.2, Waterwet) is opgegaan in de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 5.1, lid 2, onder c, sub 1, Omgevingswet.
- Het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij een waterschap (artikel 6.2, Waterwet) is opgegaan in de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaamals bedoeld in artikel 5.3, Omgevingswet.