Woning fungeerde als plaats van productie en distributie
Laatst gewijzigd op: 14-01-2026ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6147
ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6147
De burgemeester van Rotterdam heeft de woning van appellant voor drie maanden gesloten nadat bij een onderzoek attributen voor het versnijden en verwerken van harddrugs en een luchtbuks zijn aangetroffen.
Appellant betoogt dat de sluiting niet noodzakelijk was, omdat geen drugs zijn gevonden. Ook betoogt appellant dat de gevolgen onevenredig zijn, omdat hij geen zelfstandige woonruimte meer kan krijgen.
De Afdeling volgt dit betoog niet. De burgemeester mocht aannemen dat de woning fungeerde als productielocatie voor harddrugs en dat sluiting noodzakelijk was. Appellant heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij door de sluiting daadwerkelijk is belemmerd in het vinden van woonruimte. Het hoger beroep is ongegrond.