Ga naar de inhoud

Na ruim een jaar moet burgemeester noodzaak van resterende sluiting opnieuw beoordelen

Laatst gewijzigd op: 13-08-2026

Raad van State 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3160

beeld van vrouwe justitia tegen een blauwe achtergrond


Raad van State 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3160

De politie treft in een huurwoning 23,8 gram hennep, 27,75 gram amfetamine, negen XTC-pillen, lege gripzakjes, een weegschaal en vier BB-guns aan. De burgemeester van Bergen besluit de woning voor zes maanden te sluiten. Door voorlopige voorzieningen is de woning uiteindelijk slechts ongeveer twee weken feitelijk gesloten.

De bewoonster betoogt dat de drugs van haar voormalige partner waren, dat geen sprake was van handel of aanloop en dat met een waarschuwing had kunnen worden volstaan. Daarnaast wijst zij op de gevolgen voor haar en haar twee kinderen, waaronder ontbinding van de huurovereenkomst en plaatsing op een zwarte lijst waardoor zij vijf jaar niet bij de woningcorporatie als woningzoekende kan worden ingeschreven. De Afdeling onderschrijft het oordeel dat het oorspronkelijke sluitingsbesluit noodzakelijk en evenwichtig was.

De burgemeester kan de resterende sluitingsduur echter niet zonder meer alsnog uitvoeren. Als meer dan een jaar is verstreken sinds de voorgenomen sluiting, moet opnieuw worden beoordeeld of sluiting op dat moment nog geschikt en noodzakelijk is. Daarbij is niet relevant aan wie het tijdsverloop te wijten is, dus ook niet dat de sluiting door voorlopige voorzieningen is onderbroken. Ook de huurrechtelijke gevolgen moeten bij de evenwichtigheid worden betrokken. De plaatsing op een zwarte lijst maakt het voor de bewoonster moeilijker om opnieuw een sociale huurwoning in de regio te vinden.