Ga naar de inhoud

Burgemeester hoeft geen vervangende woonruimte te huren

Laatst gewijzigd op: 14-01-2026

ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6052

beeld van vrouwe justitia tegen een blauwe achtergrond

ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6052

De burgemeester van Hoofddop besluit een woning te sluiten voor de duur van drie maanden na het aantreffen van 24,3 kilo hasj en ruim 160.000 euro contant geld.

Appellante betoogt dat de sluiting niet evenwichtig was, omdat zij geen vervangende woonruimte kon vinden. Ze heeft daarnaast een minderjarige zoon die ADHD heeft, waardoor hij niet op een willekeurig andere plek kan verblijven.

De Afdeling volgt dit betoog niet. De Afdeling geeft aan dat appellante in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor het vinden van vervangende woonruimte. Het ligt niet op de weg van de burgemeester om direct vervangende woonruimte te huren en beschikbaar te stellen. Achteraf is gebleken dat appellante zelf vervangende woonruimte bij familie heeft kunnen regelen. De Afdeling oordeelt ook dat de burgemeester niet in strijd heeft gehandeld met artikel 8 EVRM, zoals appellante betoogt. De bevoegdheid van de burgemeester tot het sluiten van de woning is neergelegd in artikel 13b Opiumwet en daarom bij wet voorzien. De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet. Daarnaast mocht de burgemeester de sluiting van de woning gerechtvaardigd en noodzakelijk achten, mede vanwege de hoeveelheid aangetroffen drugs.