Ga naar de inhoud

Jurisprudentie collectieve horecaontzegging

Laatst gewijzigd op: 09-01-2024

Foto van publiek dat uitgaat. Ter illustatie van collectief horecaverbod.

De afgelopen jaren is er veel ervaring opgedaan met het opleggen en handhaven van de collectieve horecaontzegging (CHO) en de vervolging bij huisvredebreuk. Dat heeft geleid tot een aantal rechtszaken.

Diverse rechters en de Ombudsman hebben uitspraak gedaan over de toepassing van de CHO. We weten hierdoor beter wat wel en niet mag bij het opleggen en handhaven van de CHO. De jurisprudentie staat hieronder samengevat en is bovendien verwerkt in het nieuwe model-protocol.

Jurisprudentie

De meervoudige kamer voor strafzaken concludeert op 17 februari 2017 dat het OM ontvankelijk is voor vervolging bij overtreding van de CHO in Sittard-Geleen. In een eerdere zitting werd het OM niet-ontvankelijk verklaard vanwege substantiële gebreken in de CHO in Sittard-Geleen. Het hof concludeert in dit hoger beroep dat de CHO een civiele maatregel is, omdat de horecaondernemer bepaalt aan wie een CHO wordt opgelegd. Eventuele gebreken in de CHO zijn verder niet aan het OM verwijtbaar en moeten in een klachtenprocedure, dan wel bij de civiele rechter aan de orde worden gesteld.

Instantie

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch

Rolnummer

20-003338-15

Beschrijving

In een eerdere rechtszitting werd het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard om strafvervolging in te stellen voor lokaalvredebreuk. Als reden werd gegeven dat de collectieve horeca-ontzegging (CHO) in Sittard-Geleen substantiële gebreken bevat: er is gekozen voor oplegging van de meest ingrijpende en langdurige CHO, het concrete gedrag waarvoor de CHO is opgelegd is niet vermeld en een duidelijke verwijzing naar en informatie over de klachtenprocedure ontbreekt, aldus de rechtbank.

In het huidige hoger beroep wordt het OM wel ontvankelijk verklaard, omdat de CHO een civiele maatregel is. Het is niet aan het OM of de strafrechter om de redelijkheid daarvan te toetsen. Het OM behoefde slechts te toetsen of in dit concrete geval een vervolging ter zake van lokaalvredebreuk aan de orde kon zijn. De verdachte was betrokken bij een vechtpartij. Naar aanleiding daarvan is een CHO opgelegd. De verdachte was bekend met de reden van de ontzegging. Indien een ontzegging wordt overtreden, dan is de beslissing tot vervolging niet een beslissing van willekeur. Het strafrechtelijk belang is evident, nu met een vervolging kenbaar wordt gemaakt dat het negeren van de CHO niet ongestraft blijft. Elk redelijk handelend officier van justitie had in redelijkheid en billijkheid tot vervolging moeten overgaan. Van een flagrante schending van de beginselen van een goede procesorde is geen sprake.

De verdediging is van mening dat de CHO niet een (puur) civielrechtelijke maatregel is. Uit het Protocol CHO Sittard-Geleen blijkt immers dat gemeente, politie en het OM bij de totstandkoming, alsook bij de uitvoering en handhaving, een grote rol hebben gespeeld. Zo reikt de politie in een enkel geval het besluit uit en wordt met de politie afgestemd om welk feit het gaat en voor welke duur een ontzegging wordt opgelegd. Daarom kan het niet anders zijn dat de CHO een maatregel van overheidswege dan wel een strafrechtelijke maatregel is. Gelet op de bestuurs- en strafrechtelijke aspecten van de CHO zou de ontzegging juist door het OM zorgvuldig en ten gronde moeten worden getoetst, aldus de verdediging.

Het hof concludeert echter anders. De CHO is opgelegd door de horecaondernemers van Sittard-Geleen. De ontzegging is een waarschuwing van de horecaondernemers aan de verdachte dat, als hij een deelnemende horecagelegenheid betreedt, er aangifte wordt gedaan van huisvredebreuk. Er is daarbij sprake van een wilsuiting van een private partij jegens een andere private partij. Daarom is de CHO civielrechtelijk van aard. De rol die de politie kan spelen bij de oplegging van de CHO, doet daar niet aan af. De politie bepaalt immers niet aan wie een ontzegging wordt opgelegd. Die beslissing is aan de horecaondernemers. De politie speelt slechts een ondersteunende rol. Zodra een horecaondernemer heeft beslist dat hij een CHO gaat opleggen, bespreekt deze enkel nog met de politie welke genoemde gedragingen in het protocol aan de orde zijn. Uit de regeling volgt dat het de horecaondernemer is die bepaalt aan wie een ontzegging wordt opgelegd en niet de politie, het OM of bestuur.

Resumerend is het hof van oordeel dat een CHO een puur civielrechtelijk karakter heeft. Eventuele gebreken in de aan de verdachte opgelegde CHO zijn dan ook niet aan het OM verwijtbaar. De rechtmatigheid van de civielrechtelijke ontzegging kan in de genoemde klacht/bezwaarprocedure en/of bij de civiele rechter aan de orde worden gesteld. In deze strafrechtelijke procedure is daarvoor geen plaats.

Vervolgens acht het hof bewezen dat de verdachte de CHO heeft overtreden door een café, waarvoor hij een ontzegging heeft, binnen te treden en dat er dus sprake is van huisvredebreuk. Hiervoor wordt een voorwaardelijke geldboete van €250 opgelegd.

Vindplaats

De verdachte zou drie keer lokaalvredebreuk hebben gepleegd: hij is binnengedrongen in een horecagelegenheid waarvoor hij een collectieve horecaontzegging heeft gekregen. De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie (OM) echter niet-ontvankelijk, omdat de reikwijdte van de collectieve horecaontzegging niet vaststond en er voor de verdachte geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstond voor een onafhankelijke rechter.

Instantie

Rechtbank Noord-Holland

Rolnummer

15/185529-12

Beschrijving

De eiser stelt dat de verdachte drie keer lokaalvredebreuk heeft gepleegd, omdat hij de hem opgelegde collectieve horecaontzegging heeft overtreden. Het is de verdachte echter niet duidelijk gemaakt welke horecagelegenheden deelnamen aan de collectieve horecaontzegging. Bij het ontzeggingenformulier was geen lijst van deelnemende horeca toegevoegd, en op de bijbehorende website bood ook geen overzicht. De verdachte is slechts mondeling medegedeeld om welke horecaondernemingen het ging.

Dit is voor de rechtbank voldoende reden om de verdachte vrij te spreken, maar daarnaast worden enkele fundamentele gebreken aangetekend bij de collectieve horecaontzegging in Purmerend:

  • In het dossier en protocol wordt niet duidelijk welk wangedrag tot de collectieve horecaontzegging heeft geleid.
  • Het is niet duidelijk wie heeft vastgesteld dat de verdachte zich daadwerkelijk misdragen heeft, en of die misdraging een collectief horecaontzegging rechtvaardigt. Er lijkt geen waarschuwing te zijn gegeven, terwijl in het protocol staat vermeld dat dit de gebruikelijke gang van zaken is.
  • Door de te grote betrokkenheid van politie, gemeente en OM bij het horecaverbod wordt de indruk gewekt dat het hier om meer gaat dan alleen een civielrechtelijke overeenkomst.
  • Gezien het aantal horecagelegenheden dat aangesloten is bij de Purmerendse collectieve horecaontzegging, betekent dit middel een forse inbreuk op de bewegingsvrijheid van individuen.
  • Bovendien wordt bij lokaalvredebreuk in Purmerend de verdachte niet alleen strafrechtelijk vervolgd, maar wordt ook de horecaontzegging verlengd, zonder dat er sprake is van nieuw wangedrag.
  • Daarnaast is de verdachte niet medegedeeld waar hij bezwaar kan maken tegen het verbod.
  • Tenslotte zet de rechtbank kanttekeningen bij de onafhankelijkheid van de betreffende klachtencommissie.

Vindplaats

Op 7 november 2011 heeft de Nationale ombudsman een onderzoek gepubliceerd naar aanleiding van een klacht van een bezoeker, die na een incident in een Zwols café een zogenaamde rode kaart (collectieve horecaontzegging) kreeg van een politieagent. Volgens de ombudsman moet de kaart worden gegeven door Horeca Zwolle.

De Hoge Raad oordeelt dat er sprake is van wederrechtelijk binnendringen als de verdachte wordt toegelaten in de betreffende horecagelegenheden waarvoor hij een Collectieve Horecaontzegging (CHO) opgelegd heeft gekregen.

Instantie

Hoge Raad

Rolnummer

09/01884

Beschrijving

De verdachte is drie keer wederrechtelijk binnengedrongen bij horecagelegenheden waarvoor hij een CHO opgelegd heeft gekregen. De verdachte verklaart dat hij op de hoogte is dat het strafbaar is als hij in deze gelegenheden komt. Echter, hij geeft aan wel tot de gelegenheden te zijn toegelaten. Op het moment dat de verdachte wordt aangesproken op zijn aanwezigheid, vertrekt de verdachte en wordt vervolgens buiten aangehouden door de politie.

De Hoge Raad oordeelt dat vaststaat dat de verdachte de CHO heeft ontvangen. In de ontzegging staat, verwijzend naar een bijlage, tot welke horecagelegenheden de toegang wordt ontzegd. Daarnaast wordt in de ontzegging vermeld dat het ook strafbaar is als verdachte per abuis wordt toegelaten tot één van de collectieve horecaondernemingen. Ondanks het feit dat de verdachte is binnengelaten, is er sprake van wederrechtelijk binnendringen. Ook de klacht van de verdachte over uitleg van het begrip ‘besloten lokaal’ wordt verworpen.

Vindplaats

Op rechtspraak.nl (onder LJN: BO8001)

De politierechter stelt op 8 januari 2010 een aantal fundamentele en praktische vragen over de toepassing van de CHO en het collectief winkelverbod, als middel om overlast in horeca (en winkels) te bestrijden. Hij heropent daarom het onderzoek en verwijst de zaak naar de meervoudige kamer, zodat die daarover kan oordelen. De meervoudige kamer verklaart op 16 juli 2010 het OM niet-ontvankelijk, vanwege de grote rol van politie en justitie in de CHO.

Deze zaak draait om het ongedaan maken van 2 collectieve horecaontzeggingen op straffe van een dwangsom en het betalen van een schadevergoeding. De vorderingen hiertoe wijst de rechtbank af.

Instantie

Rechtbank Middelburg

Rolnummer

64497

Beschrijving

De eisers zijn twee personen die een Collectieve Horecaontzegging (CHO) voor de duur van twee jaar kregen voor de aangesloten horeca in Hulst, vanwege het overtreden van huis- en gedragsregels. De bij de CHO aangesloten horeca in Hulst zijn in deze zaak de gedaagden.

Eisers beklagen zich dat de duur van de ontzegging (2 jaar) niet overeen komt met de afspraken in het convenant ‘Veilig uitgaan in Hulst’, waarin staat enkele weken tot één of meer maanden. Bovendien hebben de gedaagden niet aangegeven welke huis- of gedragsregels zijn overtreden. Ook hebben de eisers te lijden gehad onder het belasterend effect van de CHO en het niet kunnen onderhouden van sociale contacten.

De gedaagden stellen dat de eisers om drie redenen niet-ontvankelijk zijn:

  • De lokale afdeling van Koninklijke Horeca Nederland (KHN) is bevoegd om voor de aangesloten horecabedrijven een CHO op te leggen dan wel op te heffen. In dit geval zijn dan ook niet de juiste partijen gedaagd.
  • Eén van de eisers staat bij de uitbaters bekend als agressieve persoonlijkheid die al eerder een CHO opgelegd heeft gekregen. Hiertegen is geen actie ondernomen door de eiser.
  • Ten slotte is al voordat de rechtszaak startte de duur van de betreffende CHO verkort van twee jaar naar zes maanden.

Oordeel rechtbank:

  • De lokale afdeling van de KHN heeft volgens het convenant in Hulst niet de bevoegdheid om te beslissen over ontzeggingen. De lokale horecaondernemers nemen dit besluit, de KHN verzorgt slechts de administratieve verwerking. KHN heeft in dit geval dus alleen namens de horeca uit het convenant gehandeld. Eisers zijn in dit geval dus wel ontvankelijk oordeelt de rechtbank.
  • De eis dat de ontzegging ongedaan moet worden gemaakt is niet meer van belang, aangezien de bijgestelde duur ervan (zes maanden) inmiddels is verstreken.
  • De gedaagden zijn bevoegd om derden de toegang tot hun zaak te ontzeggen, als redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat de betreffende personen worden toegelaten. De exploitanten moeten daarbij altijd de maatschappelijke zorgvuldigheid in het oog houden. Dat is door gedaagden echter niet op alle punten gedaan. Zo is onvoldoende aangeven welke feiten en/of omstandigheden tot de ontzegging hebben geleid. Ook de duur van de ontzegging kwam niet overeen met de afgesproken termijn in het convenant. De gedaagden hebben op deze punten onrechtmatig gehandeld.
  • De vorderingen voor immateriële schade worden afgewezen, aangezien niet aannemelijk is dat de eer en goede naam van de eisers zijn aangetast en in hun persoonlijke vrijheid zijn beperkt. De CHO’s zijn niet openbaar gemaakt en ook niet met derden gedeeld. Ook zijn slechts 27 van de 103 horecabedrijven in Hulst aangesloten bij de CHO, waarbij de eisers niet in Hulst, maar in gemeente Terneuzen wonen.

Vindplaats

Op rechtspraak.nl (onder LJN: BK9255)