Ga naar de inhoud

BE-grip: brede aanpak onbegrepen gedrag vraagt om landelijke voorwaarden

vrouwen bij voordeur

Goede ondersteuning bij onbegrepen gedrag vraagt om samenwerking tussen zorg, sociaal domein en veiligheid. Regionale netwerken hebben hierin stappen gezet, maar landelijke regels, financiering en verantwoordelijkheden sluiten daar nog onvoldoende op aan. Dat blijkt uit het eindrapport van BE-grip, dat op 8 oktober 2026 verscheen. De bevindingen sluiten aan bij de ontwikkeling van de landelijke visie op wijk-GGD.

BE-grip is een landelijk samenwerkingsverband van kennisinstituten, maatschappelijke organisaties, brancheverenigingen en een koepel van cliënten- en naastenverenigingen. Van april 2023 tot april 2026 begeleidde en volgde het consortium regionale netwerken binnen het Actieprogramma Grip op Onbegrip. Erasmus School of Health Policy and Management leidde het consortium, samen met Kenniscentrum Phrenos. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (het CCV) was betrokken als kennis- en netwerkpartner.

𝗩𝗮𝗻 𝗮𝗳𝘇𝗼𝗻𝗱𝗲𝗿𝗹𝗶𝗷𝗸𝗲 𝗽𝗿𝗼𝗯𝗹𝗲𝗺𝗲𝗻 𝗻𝗮𝗮𝗿 𝗲𝗲𝗻 𝗯𝗿𝗲𝗱𝗲𝗿𝗲 𝗯𝗹𝗶𝗸

Mensen met onbegrepen gedrag hebben regelmatig problemen op meerdere levensgebieden. Denk aan psychische kwetsbaarheid, schulden, problemen met wonen of weinig sociale contacten. Toch richt de ondersteuning zich vaak vooral op het meest zichtbare probleem, zoals overlast of een incident.

In de regionale netwerken ziet BE-grip steeds meer aandacht voor een bredere, zogenoemde meervoudige benadering. Daarbij kijken betrokkenen naar de persoon én de omstandigheden waarin het gedrag ontstaat. Wat speelt er in iemands leven? Welke steun kunnen naasten bieden? En wat is nodig in de woon- en leefomgeving? Vroegtijdige ondersteuning, ervaringskennis en samenwerking tussen organisaties krijgen daarbij een grotere rol.

De wijk-GGD als verbindende schakel

De werkwijze van de wijk-GGD sluit aan bij deze brede blik. Een wijk-GGD’er werkt op het snijvlak van zorg, sociaal domein en veiligheid. Signalen kunnen bijvoorbeeld komen van de politie, woningcorporaties, omwonenden of de gemeente.

Waar een melding gaat over overlast of onbegrepen gedrag, onderzoekt de wijk-GGD’er welke zorg of ondersteuning nodig is. Vervolgens brengt deze professional de juiste partijen bij elkaar en helpt passende hulp te organiseren. Zo kijkt de wijk-GGD’er verder dan het zichtbare gedrag, met aandacht voor de inwoner én diens omgeving.

Samenwerken vraagt om ruimte en steun

BE-grip laat zien dat professionals elkaar kunnen vinden en willen samenwerken, maar toch vastlopen. Organisaties hebben verschillende opdrachten, aparte budgetten en eigen regels voor verantwoording. Ook is niet altijd duidelijk wie waarvoor verantwoordelijk is.

Verbindingswerk mag daarom volgens BE-grip niet alleen afhangen van persoonlijke contacten en de inzet van individuele professionals. Ook bestuurders en beleidsmakers moeten verantwoordelijkheid nemen en samenwerking mogelijk maken.

Dat is ook relevant voor de wijk-GGD. Om signalen snel op te volgen, heeft een wijk-GGD’er ruimte nodig om tussen organisaties te bewegen. Daarvoor zijn een duidelijke positie, voldoende mandaat en goede afspraken over samenwerking, verantwoordelijkheden en overdracht nodig.

Preventie vraagt een langere adem

Preventief werken staat volgens BE-grip onder druk. Organisaties moeten vaak snel aantonen wat hun inzet oplevert, terwijl de resultaten van preventie pas later zichtbaar worden. Wat dankzij tijdige hulp niet gebeurt, is bovendien lastig in cijfers uit te drukken.

Dit raakt aan de wijk-GGD, waar vroegsignalering en het voorkomen van escalatie belangrijke onderdelen van het werk zijn. Tijdig contact en passende ondersteuning kunnen helpen voorkomen dat problemen verergeren. Daarvoor zijn continuïteit en blijvende financiering belangrijk. Anders dreigen opgebouwde kennis, contacten en werkwijzen verloren te gaan zodra een project stopt.

Van regionale vernieuwing naar landelijke voorwaarden

De hoofdboodschap van BE-grip is helder: meer pilots of netwerken alleen lossen deze knelpunten niet op. Landelijke regels, financiering en sturing moeten de brede aanpak ondersteunen. Het consortium pleit daarom voor een blijvend landelijk programma waarin ministeries samenwerken. Dat moet ruimte bieden voor preventie, verbindingswerk, ervaringsdeskundigheid en gezamenlijk leren.

Deze boodschap sluit aan bij het werk van het Landelijk Coördinatiepunt Wijk-GGD bij het CCV. Samen met een landelijke projectgroep werkt het coördinatiepunt aan een visie op de maatschappelijke opdracht, de belangrijkste functies, de positie en de voorwaarden van de wijk-GGD.

Daarbij staat de vraag centraal wat overal in Nederland nodig is om de werkwijze goed te laten functioneren, en waar ruimte moet blijven voor lokaal maatwerk. Ervaringen uit de praktijk en de landelijke enquête vormen hiervoor belangrijke bouwstenen.

De bevindingen van BE-grip onderstrepen het belang van deze ontwikkeling. De wijk-GGD’er kan een belangrijke verbindende rol vervullen. Gemeenten, samenwerkingspartners en landelijke partijen moeten zorgen dat deze professional daarvoor blijvend de ruimte en ondersteuning krijgt.

Meer weten?

Lees het volledige rapport Organiseren van ondersteuning bij situaties met onbegrepen gedrag: van regionale vernieuwing naar landelijke voorwaarden van BE-grip.

Bekijk ook het CCV-dossier wijk-GGD voor praktische handvatten en de ontwikkelingen rond de landelijke visie.