Tweede drugsvondst rechtvaardigt sluiting ondanks vrijspraak van hoofdbewoner
Laatst gewijzigd op: 13-08-2026Raad van State 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3679
Raad van State 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3679
In 2021 treft de politie in een huurwoning bijna 1 kilo cocaïne en 11.000 euro aan contant geld aan. De burgemeester sluit de woning niet, maar geeft een officiële waarschuwing voor drie jaar. Ook spreekt de woningcorporatie met de hoofdbewoner af dat haar broer, die met de drugs in verband werd gebracht, de woning niet meer mag betreden. Een jaar later vindt de politie in de slaapkamer van haar zoon opnieuw 3,35 gram cocaïne. De burgemeester van Veendam sluit de woning daarop voor drie maanden.
De bewoners betogen onder meer dat de doorzoeking onrechtmatig was, dat de hoofdbewoner strafrechtelijk is vrijgesproken en dat de burgemeester daarom niet van haar betrokkenheid mocht uitgaan. Verder stellen zij dat de cocaïne voor eigen gebruik was of mogelijk een restant was van de eerdere drugsvondst. Volgens hen was sluiting daarnaast niet noodzakelijk, omdat geen handel of aanloop door de politie was waargenomen. Ook wijzen zij op het verlies van hun huurwoning en hun psychische en persoonlijke omstandigheden.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om op te treden. De 3,35 gram cocaïne overschrijdt de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram bijna zevenmaal. De verklaringen over eigen gebruik en over een restant van de eerdere vondst zijn bovendien niet consistent. Dat de hoofdbewoner strafrechtelijk is vrijgesproken, staat sluiting niet in de weg.
De sluiting was ook noodzakelijk. Over een langere periode waren meerdere meldingen gedaan over drugshandel vanuit en rond de woning, aan- en afrijdend verkeer, personen met sporttassen en kopers die bij omwonenden naar drugs vroegen. De burgemeester mocht daaruit afleiden dat de woning als drugspand bekendstond.
Bovendien was na de eerdere drugsvondst, waarschuwing en gedragsaanwijzing opnieuw cocaïne aangetroffen. De burgemeester hoefde daarom niet nogmaals met een waarschuwing te volstaan.
De gevolgen voor de bewoners maken de sluiting niet onevenwichtig. Ondanks haar strafrechtelijke vrijspraak kon van de hoofdbewoner, juist vanwege de eerdere waarschuwing, extra toezicht op de woning worden verwacht. De aangevoerde psychische klachten, werk en studie maken bovendien niet aannemelijk dat de bewoners specifiek aan deze woning gebonden waren. Dat zij de huurwoning door de sluiting zijn kwijtgeraakt, leidt daarom niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep is ongegrond.