Tijdsverloop staat sluiting niet in de weg bij aanhoudende drugshandel
Laatst gewijzigd op: 03-04-2026Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:212
Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:212
De politie treft in een woning het volgende aan:
- 15,5 gram cocaïne
- 4,09 gram heroïne
- Een groot contant geldbedrag
- Meerdere telefoons
- Gripzakjes
- Een weegschaal.
De burgemeester sluit de woning voor drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat de sluiting onevenredig is vanwege het tijdsverloop van ruim vier maanden tussen de constatering en de sluiting. Volgens hem was de overtreding al beëindigd en diende de sluiting geen doel meer. Ook voert hij aan dat de drugs niet van hem waren en dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen, waaronder mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
De Afdeling oordeelt dat de sluiting nog steeds geschikt en noodzakelijk was. Ondanks het tijdsverloop heeft de burgemeester aannemelijk gemaakt dat de woning nog een rol speelde in de drugshandel. Uit meldingen van omwonenden en een aanvullende bestuurlijke rapportage blijkt dat ook in de periode voorafgaand aan de sluiting sprake was van aanloop en handel vanuit de woning. Het doel van de sluiting was daarom nog niet bereikt. De sluiting is ook niet onevenredig. De burgemeester mocht de appellant verantwoordelijk houden voor de aanwezigheid van de drugs en hoefde de verklaring van een derde daarover niet te volgen. Ook heeft de burgemeester de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst in de afweging betrokken en mogen oordelen dat het belang van sluiting zwaarder weegt. Het hoger beroep is ongegrond.