Ga naar de inhoud

Sluiting horeca voor twaalf maanden bij drugshandel

Laatst gewijzigd op: 03-04-2026

Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:81

beeld van vrouwe justitia tegen een blauwe achtergrond

Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:81

De politie treft in een horeca-inrichting onder meer het volgende aan:

  • Softdrugs
  • XTC-pillen
  • Vermoedelijk cocaïne
  • Weegschalen
  • Een wapen
  • Ruim €12.800 contant geld.

De burgemeester van Sittard-Geleen sluit de inrichting voor twaalf maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.

De appellant betoogt dat de burgemeester niet bevoegd was, omdat een deel van de aangetroffen middelen en attributen niet relevant is en de MMA-meldingen onbetrouwbaar zijn. Daarnaast voert hij aan dat de sluiting niet noodzakelijk en onevenwichtig is, gelet op het ontbreken van strafrechtelijke vervolging, het tijdsverloop en de ingrijpende financiële gevolgen.

De Afdeling oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om de horeca-inrichting te sluiten. De aangetroffen hoeveelheid drugs overschrijdt de gebruikershoeveelheid, zodat in beginsel mag worden aangenomen dat deze bestemd waren voor handel. Dat bepaalde attributen of middelen anders moeten worden geduid, doet daar niet aan af. Ook mocht de burgemeester de MMA-meldingen bij de beoordeling betrekken. De sluiting is ook niet onevenredig. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een ernstige overtreding en dat een sluiting voor twaalf maanden noodzakelijk was. Daarbij mocht hij betrekken dat het gaat om een voor publiek toegankelijke inrichting in een drugsgevoelige omgeving. De financiële gevolgen in combinatie met de intrekking van de exploitatievergunning maken dit niet anders.