Recente uitspraken over de toepassing van artikel 13b Opiumwet
Laatst gewijzigd op: 15-01-2026Op deze pagina vind je een overzicht van de nieuwste juridische uitspraken over de toepassing van artikel 13b Opiumwet. Dit overzicht is in samenwerking met het Centrum van Openbare Orde en Veiligheid van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) gemaakt en wordt maandelijks bijgewerkt.
De bestuurlijke rapportage biedt voldoende om aan te nemen dat cannabis is aangetroffen
ABRvS 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6367
De burgemeester van Koggenland heeft een woning voor drie maanden gesloten. De politie heeft in de woning wapens, munitie, een kweektent, zeefzakken, 784,7 gram droge hennep, 203,8 gram natte hennep en een zak met 130 gram bladafval heeft aangetroffen.
Appellant betoogt dat de burgemeester niet bevoegd is, omdat er geen NFI-rapport is waaruit blijkt dat de aangetroffen stoffen softdrugs zijn. Appellant motiveert dat de aangetroffen stoffen geen softdrugs waren, maar wierook met cannabis-geur.
De Afdeling overweegt dat in het bestuursrecht een andere bewijslast geldt dan in het strafrecht. Een verklaring van het NFI is niet in elk geval nodig. In de woning zijn verschillende attributen aangetroffen die te relateren zijn aan drugshandel. Daarnaast staat in de bestuurlijke rapportage dat politiemedewerkers het gevonden gruis herkenden als cannabis vanwege de structuur, de geur en de uiterlijke kenmerken. Van dit gruis zijn in de bestuurlijke rapportage foto’s opgenomen. Het is voldoende aannemelijk dat het aangetroffen gruis daadwerkelijk cannabis was.
Woning sluiting wegens voorbereidingshandelingen voor harddrugs
ABRvS 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6359
De burgemeester van Rotterdam heeft de woning van appellant voor drie maanden gesloten nadat bij een doorzoeking zeer grote hoeveelheden paracetamol (versnijdingsmiddel) en diverse attributen voor het bewerken en verwerken van harddrugs zijn aangetroffen. Zowel in de woning als in de kelderbox. De doorzoeking vond plaats nadat eerder versnijdingsmiddelen waren aangetroffen in een auto op de A16, waarvan aannemelijk was dat deze kort daarvoor uit de kelderbox van de woning waren gehaald. Camerabeelden bevestigden deze herkomst.
Appellant betoogt dat er geen sprake was van bevoegdheid, noodzaak en evenwichtigheid, omdat geen drugs zijn gevonden en hij de woning tijdelijk aan een bekende had toevertrouwd.
De Afdeling volgt dit niet. De burgemeester mocht aannemen dat er sprake was van strafbare voorbereidingshandelingen en dat de woning een rol speelde in de keten van drugshandel. De sluiting was noodzakelijk en evenwichtig, ook gelet op het woon- en leefklimaat en het veiligheidsrisicogebied. Het hoger beroep is ongegrond.
Hennepkwekerij met illegale stroomaftakking
ABRvS 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6357
De burgemeester heeft de woning en schuur van appellante in Oosterwijtwerd voor drie maanden gesloten nadat in de met de woning verbonden schuur een professionele hennepkwekerij met circa 1177 planten is aangetroffen, inclusief illegale stroomaftakking, camera’s en aanwijzingen voor eerdere oogsten.
Appellante betoogt dat de sluiting onevenwichtig was, omdat zij geen alternatieve woonruimte kon vinden.
De Afdeling volgt dit betoog niet. De sluiting was geschikt, noodzakelijk en evenwichtig, mede omdat de burgemeester heeft gedoogd dat er een tijdelijke woonunit op haar erf geplaatst werd toen bleek dat appellante niet langer bij haar kinderen kon verblijven.
Sluiting van zes maanden na aantreffen grootschalig crimineel samenwerkingsverband
ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6184
Bij een politieonderzoek in 2020 werden aanvankelijk geldbedragen, munitie en wapenonderdelen aangetroffen; een vermeende vondst van amfetamine bleek later een vals-positieve test, waardoor een voorgenomen sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet werd ingetrokken.
Een later toegestuurde bestuurlijke rapportage daterend van november 2019 concludeerde echter dat de schuur en woning tussen 2018 en 2019 structureel werden gebruikt door een crimineel samenwerkingsverband voor drugs- en wapenhandel. Op een aangrenzend gemeentelijk bosperceel werden ondergrondse opslagruimten ontdekt met honderden kilo’s hard- en softdrugs en vuurwapens.
Naar aanleiding hiervan heeft de burgemeester begin 2020 besloten het hele perceel, inclusief woonwagen en schuur, voor zes maanden te sluiten.
Appellanten betogen dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten, omdat er geen ruimtelijke en functionele samenhang bestaat tussen het bosperceel, de schuur en de woning. Daarnaast betogen appellanten dat de sluiting niet evenredig is. De burgemeester heeft onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop.
De Afdeling oordeelt dat de functionele samenhang kan worden afgeleid uit de aangetroffen geldbedragen op verschillende plekken in de woning en dat appellanten ter zitting hebben erkend dat de bedragen toebehoren aan het criminele samenwerkingsverband waar zij deel van uitmaakten. De Afdeling oordeelt daarnaast dat het tijdsverloop niet dermate lang is dat sluiting van de woning redelijkerwijs niet meer kon bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. De burgemeester heeft er daarbij terecht op gewezen dat de overtreding is dit geval zeer ernstig was. Ten tijde van de sluiting was nog volop onderzoek gaande naar de omvang van de overtreding en de kring van betrokkenen daarbij. Duidelijk was wel dat de schuur een centrale rol diende in het criminele samenwerkingsverband. Niet uitgesloten kon worden dat het gebruik van de woning en schuur voor criminele activiteiten zou worden hervat, omdat het onderzoek nog niet was afgerond. De burgemeester heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd dat ten tijde van het besluit van 29 april 2020 de sluiting een geschikt middel was.
Appellante heeft zijn woning ter beschikking gesteld en nam daarmee bewust een risico
ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6159
De burgemeester van Rotterdam heeft de woning van appellant voor zes maanden gesloten nadat bij een doorzoeking meer dan 67 kilo cocaïne, een vuurwapen met munitie, een geldtelmachine en ruim 1,4 miljoen euro contant geld zijn aangetroffen.
Appellant betoogt dat de sluiting niet noodzakelijk en niet evenwichtig was, omdat hij niet bij de drugs betrokken was, psychische problemen heeft en door de sluiting zijn woning en inkomen verloor. Appellant heeft enkel zijn woning eenmalig ter beschikking gesteld tijdens zijn reis.
De Afdeling volgt dit betoog niet. De burgemeester was bevoegd op grond van artikel 13b Opiumwet en mocht de woning zes maanden sluiten, mede omdat appellant als huurder verantwoordelijk is voor het gebruik van de woning en bewust een risico heeft genomen. Daarnaast heeft appellant op zitting gemeld dat hij inmiddels een nieuwe woning huurt. Het hoger beroep is ongegrond.
Ernst van de overtreding maakt dat de belangen van de sluiting zwaarder wegen
ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6158
De burgemeester van Rotterdam heeft de woning van appellant voor drie maanden gesloten na politieobservaties en een doorzoeking waarbij hard- en softdrugs, drugshandelattributen en wapens zijn aangetroffen.
Appellant betoogt dat de sluiting niet noodzakelijk en niet evenredig is, mede omdat zijn huur is ontbonden, hij geen woning meer heeft, zijn kinderen niet kan zien en zijn schulden toenemen.
De Afdeling volgt dit betoog niet. De burgemeester was bevoegd op grond van artikel 13b Opiumwet en mocht de sluiting noodzakelijk en evenwichtig achten. Het hoger beroep is ongegrond.
Woning fungeerde als plaats van productie en distributie
ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6147
De burgemeester van Rotterdam heeft de woning van appellant voor drie maanden gesloten nadat bij een onderzoek attributen voor het versnijden en verwerken van harddrugs en een luchtbuks zijn aangetroffen.
Appellant betoogt dat de sluiting niet noodzakelijk was, omdat geen drugs zijn gevonden. Ook betoogt appellant dat de gevolgen onevenredig zijn, omdat hij geen zelfstandige woonruimte meer kan krijgen.
De Afdeling volgt dit betoog niet. De burgemeester mocht aannemen dat de woning fungeerde als productielocatie voor harddrugs en dat sluiting noodzakelijk was. Appellant heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij door de sluiting daadwerkelijk is belemmerd in het vinden van woonruimte. Het hoger beroep is ongegrond.
Burgemeester hoeft geen vervangende woonruimte te huren
ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6052
De burgemeester van Hoofddop besluit een woning te sluiten voor de duur van drie maanden na het aantreffen van 24,3 kilo hasj en ruim 160.000 euro contant geld.
Appellante betoogt dat de sluiting niet evenwichtig was, omdat zij geen vervangende woonruimte kon vinden. Ze heeft daarnaast een minderjarige zoon die ADHD heeft, waardoor hij niet op een willekeurig andere plek kan verblijven.
De Afdeling volgt dit betoog niet. De Afdeling geeft aan dat appellante in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor het vinden van vervangende woonruimte. Het ligt niet op de weg van de burgemeester om direct vervangende woonruimte te huren en beschikbaar te stellen. Achteraf is gebleken dat appellante zelf vervangende woonruimte bij familie heeft kunnen regelen. De Afdeling oordeelt ook dat de burgemeester niet in strijd heeft gehandeld met artikel 8 EVRM, zoals appellante betoogt. De bevoegdheid van de burgemeester tot het sluiten van de woning is neergelegd in artikel 13b Opiumwet en daarom bij wet voorzien. De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en/of het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet. Daarnaast mocht de burgemeester de sluiting van de woning gerechtvaardigd en noodzakelijk achten, mede vanwege de hoeveelheid aangetroffen drugs.
‘Ernstig geval’ rechtvaardigt woningsluiting van een jaar
ABRvS 12 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5986
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek is de woning van appellant doorzocht. In de woning zijn 6,5 gram cocaïne, een bus pepperspray, gripzakjes, weegschalen en ‘weed grinders’ aangetroffen.
De burgemeester sluit de woning overeenkomstig de beleidsregel voor de duur van een jaar. De beleidsregel schrijft voor dat het sluiten van een woning door het opleggen van een last onder bestuursdwang ingrijpend is en een uiterst redmiddel. Bij ernstige gevallen volgt bij de eerste overtreding van de Opiumwet sluiting voor de duur van één jaar. Bij minder ernstige gevallen volgt bij de eerste overtreding een waarschuwing.
Volgens appellant is er geen sprake van een ernstig geval in de zin van de beleidsregel. Er is slechts een ‘zeer kleine hoeveelheid harddrugs’ aangetroffen en er zijn geen andere feiten en omstandigheden aanwezig die duiden op drugshandel, aldus appellant.
De Afdeling gaat hier niet in mee. De aangetroffen harddrugs in combinatie met de peperspray en andere druggerelateerde attributen is voldoende om van een ernstig geval in de zin van de beleidsregel te spreken, nu aan drie criteria is voldaan die volgens de beleidsregel duiden op een ‘ernstig geval’.
Burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing volgens eigen beleid
ABRvS 12 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5974
Na een anonieme melding over een hennepkwekerij treft de politie een actieve hennepkwekerij aan in een woning. De burgemeester van Heeze-Leende sluit de woning voor een periode van drie maanden. In de beleidsregel is opgenomen dat bij een eerste overtreding een waarschuwing wordt gegeven.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester had moeten volstaan met een minder ingrijpend middel, overeenkomstig het beleid. Weliswaar is een aanzienlijke hoeveelheid hennep aangetroffen, maar de bestuurlijke rapportage is summier en bevat niet meer dan die enkele constatering. De burgemeester heeft niet met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hoewel hij dat wel heeft aangenomen. De grote hoeveelheid softdrugs die is aangetroffen en de enkele, anonieme melding is onvoldoende om aan te nemen dat de woning een rol vervulde binnen de keten van drugshandel.
Ten slotte leidt het tijdsverloop van een jaar tussen het constateren van de overtreding en het tijdstip waarop de burgemeester tot sluiting is overgegaan ertoe dat de burgemeester onder de gegeven omstandigheden had moeten motiveren welk doel met de sluiting nog was gediend. De conclusie is dat de burgemeester in dit geval heeft gekozen voor een te ingrijpend middel om zijn doel te bereiken. Gelet op de beleidsregel had de burgemeester moeten volstaan met een waarschuwing.
Appellant handelt verwijtbaar ondanks gedragsstoornis en laag IQ
ABRvS 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5987
De burgemeester van Rotterdam sluit een woning voor de duur van drie maanden. In de woning is door de politie een handelshoeveelheid aan diverse soorten harddrugs aangetroffen. Daarnaast zijn ook attributen gevonden die gebruikt kunnen worden voor onder andere het verwerken en verkopen van drugs.
Appellant betoogt dat sluiting onevenredig is, omdat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid vanwege een gediagnostiseerde gedragsstoornis en een IQ van 61. Daarnaast betoogt appellant dat hij gedurende de sluiting ergens anders moest verblijven.
De Afdeling oordeelt echter dat er sprake is van een ernstig geval wat maakt dat er noodzaak is voor sluiting. In wat appellant voor het overige heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het belang van de appellant zwaarder moet wegen dan het belang van de sluiting van de woning.
Overschrijding redelijke termijn kost Staat 500 euro
ABRvS 18 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4401
De burgemeester van Amersfoort besluit een woning voor de duur van drie maanden te sluiten na de vondst van 682,31 gram amfetamine, meer dan honderd gripzakjes en twee weegschalen. Ook zijn er meldingen van drugshandel vanuit de woning.
De gronden in hoger beroep falen, maar de Afdeling komt wel tot het oordeel dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De redelijke termijn is in dit geval vier jaar (bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties).
In deze zaak is de redelijke termijn van vier jaar met minder dan een half jaar overschreden. Deze overschrijding is geheel aan de Afdeling toe te rekenen, waardoor de Staat der Nederlanden wordt veroordeeld om een schadevergoeding van 500 euro per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden te betalen.