Ga naar de inhoud

Geen bevoegdheid tot sluiting bij twijfel over handelshoeveelheid drugs

Laatst gewijzigd op: 03-04-2026

Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:210

beeld van vrouwe justitia tegen een blauwe achtergrond

Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:210

Na onderzoek treft de politie in een woning een kleine hoeveelheid harddrugs, contant geld, een pollepel met resten cocaïne aan. In auto’s van de zoons worden handelshoeveelheden harddrugs aangetroffen. De burgemeester sluit de woning voor zes maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.

De bewoners betogen dat geen sprake is van een handelshoeveelheid drugs in de woning en dat de woning geen rol vervult in de drugshandel. De rechtbank was het hiermee eens en oordeelde dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten. De burgemeester gaat hiertegen in hoger beroep.

De Afdeling oordeelt echter in lijn met de uitspraak van de rechtbank. Er bestaat twijfel over de hoeveelheid aangetroffen cocaïne in de woning: volgens de forensische opsporing gaat het om 0,4 gram en dus een gebruikershoeveelheid. De burgemeester heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom toch van een hogere hoeveelheid moest worden uitgegaan. Ook uit de overige omstandigheden blijkt niet dat in of vanuit de woning drugs werden verhandeld. De in auto’s aangetroffen drugs kunnen niet aan de woning worden gekoppeld en de enkele aanwezigheid van contant geld is daarvoor onvoldoende. De conclusie is dat geen sprake is van bevoegdheid tot sluiting. De sluiting wordt herroepen. Daarnaast is de redelijke termijn met een half jaar overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van €500 ten laste van de staat.