Burgemeester moet bij herzieningsverzoek beoordelen of oorspronkelijke sluiting onmiskenbaar onjuist was
Laatst gewijzigd op: 11-08-2026Raad van State 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3492
Raad van State 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3492
De burgemeester van Roermond heeft in 2019 een huurwoning voor een maand gesloten nadat daarin voorwerpen waren aangetroffen die duidden op de voorbereiding van een hennepkwekerij. De bewoner maakte geen bezwaar, waardoor het besluit onherroepelijk werd. Na de sluiting mocht hij van zijn verhuurder niet terugkeren naar de woning.
In 2021 vraagt hij de burgemeester het sluitingsbesluit te herzien. De bewoner wijst onder meer op het latere sepot door het OM en op de zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting. Hij is dakloos geworden, zijn huurovereenkomst is ontbonden, zijn omgangsregeling met zijn zoon is geraakt en hij stelt PTSS te hebben ontwikkeld. De Afdeling had de burgemeester eerder al opgedragen deze gevolgen nader te onderzoeken.
De Afdeling oordeelt dat het sepot en de aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb opleveren. Daarmee is de zaak echter niet afgedaan. Ook zonder nieuwe feiten kan de weigering om een besluit te herzien in uitzonderlijke gevallen onredelijk zijn. Daarbij kan van belang zijn dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist was.
De burgemeester heeft niet beoordeeld of de oorspronkelijke woningsluiting onmiskenbaar onjuist was en of de weigering om daarop terug te komen daarom onredelijk is. Dat is een motiveringsgebrek. De Afdeling geeft de burgemeester zes weken om dit alsnog te beoordelen en te motiveren.