Recente uitspraken over de toepassing van artikel 13b Opiumwet
Laatst gewijzigd op: 16-04-2026Op deze pagina vind je een overzicht van de nieuwste juridische uitspraken over de toepassing van artikel 13b Opiumwet. Dit overzicht is in samenwerking met het Centrum van Openbare Orde en Veiligheid van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) gemaakt en wordt maandelijks bijgewerkt.
Sluiting woning niet noodzakelijk door beperkte drugs en gebrek aan handelssignalen
Raad van State 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1690
De politie treft in een woning 0,9 gram cocaïne, 4,1 gram MDMA, lege wikkels en 4.400 euro aan contant geld aan. De burgemeester van Gorinchem sluit de woning eerst met spoed voor twee weken en vervolgens voor drie maanden.
De bewoner betoogt dat de sluiting niet noodzakelijk is, omdat de hoeveelheid drugs beperkt is en geen sprake is van handel vanuit de woning. De burgemeester stelt dat de aangetroffen drugs, in samenhang met andere omstandigheden, wijzen op een handelsbestemming.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester wel bevoegd was, maar dat de sluiting niet noodzakelijk is. Hoewel sprake is van een handelshoeveelheid, zijn er onvoldoende concrete aanwijzingen dat daadwerkelijk vanuit de woning in drugs werd gehandeld. Het is onduidelijk waar de melding van het Team Criminele Inlichtingen op is gebaseerd en er ontbreken andere signalen zoals aanloop of handelsattributen. De burgemeester had daarom met een minder ingrijpend middel moeten volstaan.
Sluiting woning na hennepkwekerij niet meer geschikt door tijdsverloop
Raad van State 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1405
De politie treft in een woning een hennepkwekerij met 196 planten en 1,17 kilo henneptoppen aan. Ook wordt er illegaal stroom afgenomen. De burgemeester van Sittard-Geleen besluit de woning voor drie maanden te sluiten.
De bewoners betogen dat de sluiting, gelet op het tijdsverloop en het ontbreken van verdere overlast of handel, niet meer noodzakelijk is en dat had moeten worden volstaan met een minder ingrijpend middel. Ook voeren zij aan dat de sluiting onevenredig is vanwege hun financiële situatie en de zorg voor een kwetsbare moeder.
De Afdeling oordeelt dat de sluiting niet langer geschikt is. Tussen de constatering van de overtreding en het moment waarop de burgemeester tot sluiting wilde overgaan zit ongeveer tien maanden. De burgemeester heeft niet kunnen toelichten welk doel met de sluiting nog werd gediend. Het argument van de burgemeester dat het aanwenden van rechtsmiddelen loont als de burgemeester door tijdsverloop niet meer tot sluiting zou mogen overgaan, miskent dat deze last onder bestuursdwang een herstelsanctie is. Sluiting van de woning kan door het tijdsverloop niet meer redelijkerwijs bijdragen aan het beëindigen van de overtreding of het voorkomen van herhaling.
Sluiting woning gerechtvaardigd door grote hoeveelheid hard- en softdrugs
Raad van State 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1224
De politie treft in een woning grote hoeveelheden hard- en softdrugs aan, waaronder ruim 548 gram amfetamine, cocaïne, GHB, MDMA, 2CB, hasj, hennep en grote hoeveelheden pillen. De politie heeft meerdere meldingen van drugshandel door buurtbewoners ontvangen. De burgemeester van Almere sluit de woning voor drie maanden.
De appellant betoogt dat onvoldoende aanwijzingen bestaan voor drugshandel en dat de aangetroffen drugs ook voor eigen gebruik kunnen zijn, gelet op de meerdere drugsgebruikers in de woning. Daarnaast voert zij aan dat de sluiting onevenredig is, onder meer vanwege de gevolgen voor de omgangsregeling met haar dochter en de ontbinding van de huurovereenkomst. Daarnaast heeft de burgemeester haar geen zekerheid geboden wat betreft noodopvang.
Het hoger beroep is ongegrond. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de Afdeling naar de uitspraak van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922) en naar de uitspraak van de rechtbank, nu de gronden die de appellant heeft aangevoerd zo goed als een herhaling zijn van wat zij in beroep heeft aangevoerd.
Sluiting woning gerechtvaardigd vanwege drugsbezorgservice, ondanks tijdsverloop van elf maanden
Raad van State 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1031
De politie treft in een woning onder meer 108 gram cocaïne, gripzakjes en 16.300 euro contant geld aan in het kader van een onderzoek naar een drugsbezorgservice. De burgemeester van Tilburg sluit de woning voor één maand op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat de sluiting niet noodzakelijk is, vanwege het tijdsverloop van ongeveer elf maanden. Daarnaast voert zij aan dat de sluiting onevenredig is, gelet op de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
De Afdeling oordeelt dat de sluiting geschikt en noodzakelijk is. Ondanks het tijdsverloop heeft de burgemeester voldoende gemotiveerd dat de woning nog een rol kon spelen in een criminele organisatie met een drugsbezorgservice en dat herhaling niet was uitgesloten. Ook recente meldingen en de drugsproblematiek in de omgeving ondersteunen dit. De sluiting is niet onevenredig. De burgemeester heeft rekening gehouden met de mogelijke huurrechtelijke gevolgen, maar mocht gelet op de ernst van de overtreding en de verwijtbaarheid van de bewoner het belang van sluiting zwaarder laten wegen. Het hoger beroep is ongegrond.
Geen bevoegdheid tot sluiting door geringe hoeveelheid en ondeugdelijke rapportage
Raad van State 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:896
Na meldingen van drugshandel en observaties van aanloop treft de politie in een woning onder meer het volgende aan:
- 1,4 gram cocaïne
- Enkele pillen
- Twee weegschalen
- Gebruikersartikelen.
De burgemeester van Rotterdam besluit de woning voor drie maanden te sluiten.
De bewoner betoogt dat geen sprake is van handel, maar van eigen gebruik, en dat de bestuurlijke rapportage onvoldoende betrouwbaar en controleerbaar is.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten. De aangetroffen hoeveelheid harddrugs is gering en de appellant heeft een consistent betoog over zijn eigen gebruik. Naast de grammenweegschaaltjes zijn geen andere attributen aangetroffen die wijzen op drugshandel. De burgemeester heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen drugs bestemd waren voor de handel. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke rapportage niet controleerbaar is, omdat onderliggende processen-verbaal en andere stukken ontbreken. Onder deze omstandigheden kan niet van de rapportage worden uitgegaan. Volgens de Afdeling is niet voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 13b Opiumwet. De sluiting wordt herroepen en het hoger beroep is ongegrond.
Sluiting woning onevenredig door kwetsbaarheid en tijdsverloop
Raad van State 11 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:755
Na aanhouding van een bewoner wegens drugshandel, treft de politie in een woning onder meer het volgende aan:
- 75 wikkels cocaïne
- MDMA-pillen
- Een weegschaal
- 500 lege wikkels
- €6.000 contant geld.
De burgemeester van Overbetuwe besluit de woning voor een maand te sluiten.
De bewoners betogen dat de sluiting onevenredig is, met name vanwege de ernstige psychische problematiek van één van hen, die lijdt aan PTSS en angstklachten en intensieve begeleiding ontvangt.
De Afdeling oordeelt dat de sluiting onevenwichtig is. De medische situatie van de bewoner is voldoende onderbouwd met verklaringen van de huisarts en eerdere behandelaars. Hieruit blijkt dat haar draagkracht om de gevolgen van een sluiting te dragen beperkt is. Daarnaast is sprake van aanzienlijk tijdsverloop tussen de constatering van de overtreding en de beoogde sluiting (negen maanden), waardoor de doelen van de sluiting beperkte betekenis toekomen. Het enkel willen afgeven van een signaal is onvoldoende.
Sluiting woning gerechtvaardigd ondanks kwetsbaarheid en huurrechtelijke gevolgen
Raad van State 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:475
De politie treft in een woning grote hoeveelheden hard- en softdrugs aan, waaronder:
- 410 gram cocaïne
- 138 gram amfetamine
- 329 gram MDMA
- 679 gram hennep
Ook worden er diverse attributen voor drugshandel aangetroffen. Daarnaast zijn er meldingen en observaties van drugshandel gedaan. De burgemeester van Hillegom sluit de woning voor zes maanden, later verkort tot drie maanden.
De appellante betoogt dat de sluiting niet noodzakelijk is, omdat na de inval geen incidenten meer hebben plaatsgevonden en strafrechtelijke maatregelen al zijn getroffen. Ook voert zij aan dat had moeten worden volstaan met een waarschuwing of last onder dwangsom. Daarnaast stelt zij dat de sluiting onevenredig is vanwege haar kwetsbaarheid, de zorg voor haar kleinkind en de dreigende ontbinding van de huurovereenkomst.
De Afdeling oordeelt dat de sluiting geschikt en noodzakelijk is. Het tijdsverloop is beperkt en de burgemeester heeft mogen aannemen dat de woning een rol speelde in de drugshandel en dat sprake is van een ernstig geval. Dat strafrechtelijke maatregelen zijn getroffen en dat volgens appellante geen herhaling te verwachten is, maakt dit niet anders. De sluiting is ook niet onevenredig. De appellante kan een verwijt worden gemaakt en is verantwoordelijk voor wat zich in de woning afspeelt. De burgemeester heeft rekening gehouden met haar kwetsbaarheid en hulp aangeboden bij het vinden van vervangende woonruimte. De gevolgen, waaronder mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst en de zorg voor haar kleinkind, maken niet dat de sluiting onevenwichtig is. Het hoger beroep is ongegrond.
Sluiting zonder aangetroffen drugs, wel structurele handel en overlast
Raad van State 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:477
In een woning vinden gedurende langere tijd meldingen plaats van drugsoverlast, waaronder:
- Veelvuldige aanloop van bezoekers
- Verklaringen van buurtbewoners
- Observaties van de politie.
In de woning worden gebruikersartikelen en lachgasflessen aangetroffen en appellant ontvangt bezoekers die bekend zijn als harddrugsgebruikers. De burgemeester van Den Haag sluit de woning voor drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat de burgemeester niet bevoegd was, omdat geen handelshoeveelheid drugs is aangetroffen en de meldingen onvoldoende concreet en betrouwbaar zijn. Volgens hem is slechts sprake van eigen gebruik en sociale contacten.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Ook zonder aangetroffen drugs kan bevoegdheid bestaan als op basis van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat in de woning drugs worden verhandeld. In dit geval volgt uit meldingen, observaties, verklaringen en incidenten dat sprake is van structurele drugshandel en overlast. De burgemeester mocht daarbij ook anonieme meldingen betrekken, nu deze worden ondersteund door andere bevindingen. Het hoger beroep is ongegrond.
Sluiting loods zonder drugs mogelijk door functionele samenhang
Raad van State 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:484
De politie treft in twee bedrijfsruimten ruim 211 kilo hennep en 13 kilo hasj, materialen voor hennepteelt en -verwerking aan. Een derde bedrijfsruimte bevat geen drugs, maar is inpandig verbonden met de andere ruimten via een doorgang. De burgemeester van Echt-Susteren sluit alle drie de bedrijfsruimten voor twaalf maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat de burgemeester niet bevoegd was om ook de derde bedrijfsruimte (de loods) te sluiten, omdat daar geen drugs zijn aangetroffen en geen sprake is van samenhang.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om alle bedrijfsruimten te sluiten. Door de inpandige verbinding (een groot gat in de muur) en de feitelijke toegankelijkheid bestaat een zodanige functionele samenhang dat de ruimten als één geheel moeten worden beschouwd. Dat in de loods geen drugs zijn aangetroffen, maakt dit niet anders. De sluiting is ook niet onevenredig. Gelet op de zeer grote hoeveelheid softdrugs en de recidive mocht de burgemeester de sluiting noodzakelijk achten.
Sluiting woning na grote hoeveelheid harddrugs en geweldssituatie
Raad van State 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:331
Na een melding van verdachte personen treft de politie in een woning onder meer het volgende aan:
- 11,8 kilo heroïne
- 2,6 kilo cocaïne
- 87,7 gram MDMA
- Versnijdingsmiddelen
- €96.200 contant geld
- Gasmaskers
- Sporen van geweld.
De burgemeester van Rotterdam sluit de woning voor drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat geen sprake is van een ernstig geval en dat had moeten worden volstaan met een waarschuwing. Ook voert hij aan dat de sluiting onevenredig is, omdat hem geen verwijt treft en hij een woning nodig heeft voor contact met zijn kind.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester bevoegd was en dat de sluiting noodzakelijk is. Gelet op de zeer grote hoeveelheid harddrugs en de overige aangetroffen goederen mocht de burgemeester aannemen dat de woning een rol vervulde binnen de keten van drugshandel. De appellant is daarnaast verantwoordelijk voor wat zich in de woning afspeelt en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem geen verwijt treft. Dat hij een kind heeft en woonruimte nodig heeft, weegt niet op tegen het belang van het herstellen van de openbare orde en het voorkomen van herhaling. Het hoger beroep is ongegrond.
Sluiting coffeeshop na jaar niet meer geschikt door tijdsverloop
Raad van State 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:336
De politie treft bij een coffeeshop in totaal ruim 1,7 kilo softdrugs aan, verspreid over de verkoopruimte, een bigshopper, een garage en een bovenwoning die functioneel verbonden zijn met de coffeeshop. De burgemeester van Tiel besluit de coffeeshop voor anderhalve maand te sluiten wegens overschrijding van de toegestane handelsvoorraad.
De exploitant betoogt dat geen sprake is van een overtreding, omdat een deel van de drugs geen handelsvoorraad is en de bestuurlijke rapportage onbetrouwbaar is. Daarnaast voert zij aan dat de sluiting, gelet op het tijdsverloop van ruim een jaar, niet meer noodzakelijk en evenredig is.
De Afdeling oordeelt dat de aangetroffen drugs in de garage, woning en bigshopper tot de handelsvoorraad gerekend mogen worden, omdat deze bestemd waren voor verkoop in de coffeeshop en daarmee een directe relatie hebben met de exploitatie. De Afdeling oordeelt echter dat de sluiting niet geschikt is. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd dat sluiting meer dan een jaar na de constatering nog bijdraagt aan de beoogde doelen. Uit de summiere rapportage blijkt niet van concrete effecten op de omgeving en in de tussenliggende periode hebben zich geen relevante incidenten voorgedaan. Daardoor moet worden aangenomen dat de situatie al was hersteld. Alleen het afgeven van een signaal is onvoldoende om sluiting te rechtvaardigen.
Sluiting van professioneel drugslab in recreatiewoning voor twaalf maanden
Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:189
Na een aanhouding treft de politie in een woning op een recreatiepark het volgende aan:
- 57 kilo harddrugs
- Apparatuur voor de productie van drugs
- Ruim 300 kilo cellulose
- Een wapen
- €11.700 contant geld
- Een gestolen voertuig
- Onbedrukte kentekenplaten.
De burgemeester sluit de woning met spoed voor twaalf maanden op grond van artikel 13b Opiumwet. De rechtbank oordeelt dat de sluiting noodzakelijk is, maar dat de duur had moeten worden beperkt tot zes maanden, omdat feitelijke handel vanuit de woning niet is gebleken. De burgemeester betoogt in hoger beroep dat gelet op de ernst en omvang van de aangetroffen situatie een sluiting van twaalf maanden gerechtvaardigd is.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester de woning voor twaalf maanden mocht sluiten. Dat geen concrete aanwijzingen bestaan voor feitelijke handel vanuit de woning betekent niet dat de sluitingsduur moet worden beperkt. Gelet op de zeer grote hoeveelheid harddrugs, de aanwezigheid van wapens, contant geld en productiemiddelen is er sprake van een professionele productielocatie die een rol vervult binnen de keten van drugshandel. De burgemeester mocht de woning daarom voor de maximale duur sluiten om deze aan het drugscircuit te onttrekken en herhaling te voorkomen.
De sluiting is ook niet onevenredig. Dat de partner van de bewoner wordt getroffen en dat de bewoner ernstig ziek is, maakt dit niet anders. Beiden treft een verwijt en zij zijn zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte. Niet is gebleken dat de bewoner specifiek op deze woning was aangewezen. De nadelige gevolgen zijn daarom niet onevenredig in verhouding tot de met de sluiting te dienen doelen. Het hoger beroep is gegrond en de sluiting voor twaalf maanden blijft in stand.
Sluiting woning gerechtvaardigd ondanks beroep op waarschuwing en eigen gebruik
Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:190
Na een tip en aanhouding wegens vuurwapenbezit treft de politie in een woning 1,5 kilo softdrugs, ruim 100 gram cocaïne, een steekwapen en een drugspers aan. De burgemeester sluit de woning voor drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat de burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing. Volgens hem is er geen sprake van handel, maar van eigen gebruik en hennepafval. Ook wijst hij erop dat de antecedenten en eerdere incidenten geen verband houden met de Opiumwet. Daarnaast voert hij aan dat de sluiting onevenredig is, omdat zijn zoon de drugs had verstopt in een sok. Hem treft dus geen verwijt. Daarnaast zijn de gevolgen voor hem en zijn gezin groot.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester bevoegd was en dat de sluiting noodzakelijk is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs en de aanwezigheid van een drugspers sprake is van een situatie waarin tot sluiting kon worden overgegaan. De sluiting is ook niet onevenredig. De Afdeling ziet geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank, die de aangevoerde persoonlijke omstandigheden en de gestelde afwezigheid van verwijtbaarheid heeft betrokken. Dat appellant niet strafrechtelijk is vervolgd en dat de gevolgen voor hem en zijn gezin ingrijpend zijn, maakt niet dat de burgemeester van sluiting had moeten afzien.
Geen bevoegdheid tot sluiting bij twijfel over handelshoeveelheid drugs
Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:210
Na onderzoek treft de politie in een woning een kleine hoeveelheid harddrugs, contant geld, een pollepel met resten cocaïne aan. In auto’s van de zoons worden handelshoeveelheden harddrugs aangetroffen. De burgemeester sluit de woning voor zes maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De bewoners betogen dat geen sprake is van een handelshoeveelheid drugs in de woning en dat de woning geen rol vervult in de drugshandel. De rechtbank was het hiermee eens en oordeelde dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten. De burgemeester gaat hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling oordeelt echter in lijn met de uitspraak van de rechtbank. Er bestaat twijfel over de hoeveelheid aangetroffen cocaïne in de woning: volgens de forensische opsporing gaat het om 0,4 gram en dus een gebruikershoeveelheid. De burgemeester heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom toch van een hogere hoeveelheid moest worden uitgegaan. Ook uit de overige omstandigheden blijkt niet dat in of vanuit de woning drugs werden verhandeld. De in auto’s aangetroffen drugs kunnen niet aan de woning worden gekoppeld en de enkele aanwezigheid van contant geld is daarvoor onvoldoende. De conclusie is dat geen sprake is van bevoegdheid tot sluiting. De sluiting wordt herroepen. Daarnaast is de redelijke termijn met een half jaar overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van €500 ten laste van de staat.
Tijdsverloop staat sluiting niet in de weg bij aanhoudende drugshandel
Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:212
De politie treft in een woning het volgende aan:
- 15,5 gram cocaïne
- 4,09 gram heroïne
- Een groot contant geldbedrag
- Meerdere telefoons
- Gripzakjes
- Een weegschaal.
De burgemeester sluit de woning voor drie maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat de sluiting onevenredig is vanwege het tijdsverloop van ruim vier maanden tussen de constatering en de sluiting. Volgens hem was de overtreding al beëindigd en diende de sluiting geen doel meer. Ook voert hij aan dat de drugs niet van hem waren en dat onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen, waaronder mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
De Afdeling oordeelt dat de sluiting nog steeds geschikt en noodzakelijk was. Ondanks het tijdsverloop heeft de burgemeester aannemelijk gemaakt dat de woning nog een rol speelde in de drugshandel. Uit meldingen van omwonenden en een aanvullende bestuurlijke rapportage blijkt dat ook in de periode voorafgaand aan de sluiting sprake was van aanloop en handel vanuit de woning. Het doel van de sluiting was daarom nog niet bereikt. De sluiting is ook niet onevenredig. De burgemeester mocht de appellant verantwoordelijk houden voor de aanwezigheid van de drugs en hoefde de verklaring van een derde daarover niet te volgen. Ook heeft de burgemeester de mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst in de afweging betrokken en mogen oordelen dat het belang van sluiting zwaarder weegt. Het hoger beroep is ongegrond.
Geen procesbelang bij woningsluiting na ontbinding huur en detentie
Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:213
De politie treft in een woning het volgende aan:
- Een vuurwapen
- 126,52 gram cannabis
- 149,81 gram amfetamine
- Gripzakjes
- Een weegschaal.
De burgemeester sluit de woning voor zes maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat de sluiting te lang is en dat had moeten worden volstaan met drie maanden. Ook voert hij aan dat hij geen vervangende woonruimte had en verzoekt hij om schadevergoeding.
De Afdeling komt niet toe aan een inhoudelijke beoordeling, omdat geen sprake is van procesbelang. De huurovereenkomst was al vóór de sluiting ontbonden en appellant verbleef gedurende de gehele sluitingsperiode in detentie, zodat hij geen feitelijk belang meer had bij de uitkomst van de procedure. Daarnaast heeft hij de gestelde schade niet onderbouwd, waardoor ook daarin geen procesbelang is gelegen.
Waarschuwing van drie jaar is besluit en onvoldoende onderbouwd
Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:219
De politie treft in een woning en op de oprit voorwerpen en stoffen aan die bedoeld zijn voor grootschalige hennepteelt. De burgemeester besluit de woning voor drie maanden te sluiten, maar herroept dit besluit in bezwaar en legt in plaats daarvan een waarschuwing op. De burgemeester betoogt dat de waarschuwing geen besluit is waartegen beroep openstaat.
De appellant betoogt onder meer dat de waarschuwing onvoldoende is onderbouwd en dat de rechtbank het eerdere besluit ten onrechte niet heeft vernietigd.
De Afdeling oordeelt dat de waarschuwing in dit geval met een besluit moet worden gelijkgesteld. De waarschuwing heeft een geldigheidsduur van drie jaar en overschrijdt daarmee de in de rechtspraak gehanteerde termijn van twee jaar. Daardoor wordt de mogelijkheid om effectief verweer te voeren aangetast en moet rechtsbescherming worden geboden. De Afdeling oordeelt verder dat de waarschuwing ondeugdelijk is gemotiveerd. De burgemeester heeft deze gebaseerd op politie-informatie die niet inzichtelijk is voor appellant en de rechtbank, waardoor niet kan worden getoetst waarop de waarschuwing berust. De rechtbank heeft de waarschuwing daarom terecht vernietigd. Ten slotte is de redelijke termijn met een jaar overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van €1.000 ten laste van de staat.
Sluiting horeca voor twaalf maanden bij drugshandel
Raad van State 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:81
De politie treft in een horeca-inrichting onder meer het volgende aan:
- Softdrugs
- XTC-pillen
- Vermoedelijk cocaïne
- Weegschalen
- Een wapen
- Ruim €12.800 contant geld.
De burgemeester van Sittard-Geleen sluit de inrichting voor twaalf maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.
De appellant betoogt dat de burgemeester niet bevoegd was, omdat een deel van de aangetroffen middelen en attributen niet relevant is en de MMA-meldingen onbetrouwbaar zijn. Daarnaast voert hij aan dat de sluiting niet noodzakelijk en onevenwichtig is, gelet op het ontbreken van strafrechtelijke vervolging, het tijdsverloop en de ingrijpende financiële gevolgen.
De Afdeling oordeelt dat de burgemeester bevoegd was om de horeca-inrichting te sluiten. De aangetroffen hoeveelheid drugs overschrijdt de gebruikershoeveelheid, zodat in beginsel mag worden aangenomen dat deze bestemd waren voor handel. Dat bepaalde attributen of middelen anders moeten worden geduid, doet daar niet aan af. Ook mocht de burgemeester de MMA-meldingen bij de beoordeling betrekken. De sluiting is ook niet onevenredig. De burgemeester heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van een ernstige overtreding en dat een sluiting voor twaalf maanden noodzakelijk was. Daarbij mocht hij betrekken dat het gaat om een voor publiek toegankelijke inrichting in een drugsgevoelige omgeving. De financiële gevolgen in combinatie met de intrekking van de exploitatievergunning maken dit niet anders.