Product toegevoegd aan winkelmand
 

Online aangejaagde ordeverstoringen


Gemeente Almelo vult APV aan met artikel tegen online content

Gemeente Almelo heeft als eerste haar APV gewijzigd en aangevuld met dit artikel tegen online content. In de oplegnotitie voor de raad schrijven B&W: “Met een dergelijke bepaling zal meer juridisch duidelijk worden en wellicht kan dit landelijk wetgeving doen versnellen."

Artikel 2:1b Digitale ordeverstoring

1. Het is verboden om via digitale middelen, onder andere via internet, virtuele ruimtes en sociale media, uitingen te doen, te delen en/of in stand te laten, die kunnen leiden tot een fysieke verstoring van de openbare orde binnen het grondgebied van de gemeente Almelo, dan wel voor het ontstaan van een ernstige vrees daarvoor.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht is het beheerders van websites, domeinnaamhouders, hostingproviders en sociale mediaplatforms verboden om uitingen, als bedoeld in het eerste lid, die via hun communicatiedienst worden gedaan:
a. te delen of verder te (laten) verspreiden;
b. in stand te laten; of
c. online toegankelijk en/of zichtbaar te houden.
3. Beheerders van websites, domeinnaamhouders, hostingproviders en sociale mediaplatforms zijn verplicht om, op last van de burgemeester, uitingen als bedoeld in het eerste lid, te blokkeren, te verwijderen en verwijderd te houden, al dan niet via hun eigen notice-and-takedown procedures.

Toelichting

Artikel 2:2a [bedoeld lijkt te zijn: 2:1b] strekt tot bescherming van de openbare orde, die door inzet van digitale middelen (internet en sociale media) verstoord wordt of een ernstig vrees daarvoor bestaat. Hetgeen in de virtuele ruimte gebeurt, kan immers tot een fysieke verstoring van de openbare orde leiden. Om misverstanden te voorkomen wordt hierbij benadrukt dat hier niet gaat om de beperking van de vrijheid van meningsuiting. Dat laatste kan ook niet. De vrijheid van meningsuiting is neergelegd in artikel 7 van de Grondwet en volgens die bepaling staat het eenieder vrij om zijn of haar gedachten en gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Artikel 2:2a brengt daar geen verandering in en kan daar ook geen verandering in brengen. Zo kan eenieder zijn gedachten, gevoelens en zelfs zijn ongenoegen uiten over allerlei zaken. Dat betekent echter niet dat er opgeroepen mag worden om bijvoorbeeld te gaan rellen of plunderen met schade voor derden tot gevolg.

Sterker nog, uit de rechtspraak blijkt dat het online oproepen tot verstoring van de openbare orde strafbaar is. Zo hebben bijvoorbeeld de rechtszaken rondom de Blokkeerfriezen en Project X2 Enschede tot strafvervolging geleid met veroordeling van de personen die online opriepen tot verstoring (zie bijvoorbeeld Rechtbank Overijssel 4 oktober 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:3656, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:9290 en Hoge Raad 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2020).

In praktijk zal van geval tot geval beoordeeld worden of er sprake is van een verstoring van de openbare orde of ernstige vrees daarvoor. De burgemeester neemt pas een bestuurlijke maatregel als uit informatie van de politie blijkt dat een online uiting kan leiden tot een fysieke verstoring van de openbare orde binnen het grondgebied van de gemeente Almelo. De monitoring van online uitingen ligt in beginsel bij de politie. Handhavend optreden vereist een uiterste zorgvuldige beoordeling, waarbij oog is voor de vrijheid van meningsuiting in relatie tot oproepen tot online openbare ordeverstoringen. Daarbij zal steeds maatwerk worden toegepast.

In dat kader is het van belang om te benadrukken dat met artikel 2:2a niet worden getreden buiten de grenzen van het bestuursrecht. Daar waar strafbare feiten plaatsvinden, is en blijft dat binnen het domein van het strafrecht en is het dus aan het Openbaar Ministerie om al dan niet strafrechtelijk daartegen op te treden. Er is ook een groot verschil tussen het strafrecht en het bestuursrecht. Zo is strafrechtelijke vervolging gericht op bestraffing (punitief), terwijl bestuursrechtelijk handhavend optreden gericht is op het ongedaan maken of voorkomen van een overtreding (herstellend karakter). Dat is overigens ook vaste rechtspraak. Zo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 31 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1444) het verschil tussen strafrecht en bestuursrecht helder geduid:

“4.2. Over het betoog van [appellant] dat de last onder dwangsom - en daarmee ook het besluit tot invordering van de dwangsom – een punitief karakter heeft waarop artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) betrekking heeft, overweegt de Afdeling het volgende. Het algemeen bestuur heeft bij het opleggen van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen een eigen, niet van de met de strafvervolging en strafoplegging belaste organen afhankelijke verantwoordelijkheid. De last onder dwangsom is een reparatoire sanctie en de verbeurte van de dwangsom had door [appellant] kunnen worden voorkomen door zich te houden aan het bij of krachtens de wet bepaalde, terwijl een strafrechtelijke procedure kan leiden tot een punitieve sanctie die is bedoeld om leed toe te brengen na het plegen van een strafbaar feit. De dwangsom is - na het niet voldoen aan de last - van rechtswege verbeurd en de invordering van de dwangsom is niet bedoeld om leed toe te brengen na het overtreden van de last. Er bestaat onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de invordering van de dwangsom louter op basis van de hoogte van de dwangsom is aan te merken als een punitieve sanctie waarop artikel 6 van het EVRM betrekking heeft.”

Bij overtreding van artikel 2:2a ligt handhavend optreden middels een last onder dwangsom voor de hand met als doel om de (geconstateerde) overtreding te beëindigen of te voorkomen.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is de overtreder, gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Awb, degene die het desbetreffende wettelijke voorschrift schendt. Dit is in de eerste plaats degene die de verboden handeling verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, doch aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt. Een partij die feitelijk en juridisch in haar macht heeft om de overtredingen te (doen) beëindigen, kan eveneens als overtreder worden aangemerkt (vlg, ABRvS 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2005). Beheerders van websites, domeinnaamhouders, hostingproviders en sociale mediaplatforms hebben het in hun macht om een overtreding als bedoeld in artikel 2:2a te (doen) beëindigen. Om die reden zijn zij daarin opgenomen.

Meer informatie op: royalcast.com

© Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid