Product toegevoegd aan winkelmand

Brandveiligheid


Veelgestelde vragen toepassing NEN 2535

Voor certificatie en inspectie van brandmeldinstallaties wordt NEN 2535 gebruikt. Onderstaande vragen en antwoorden lichten een aantal onduidelijkheden in NEN 2535+C1:2010 toe. De vragen zijn gesorteerd op paragraaf van NEN 2535.

4.2.1: Het op basis van de brandgrootte gekozen type rookmelder leidt er toe dat de prestatie-eisen van de brandmeldinstallatie niet worden gehaald. Is het toegestaan om de rookmelder om te wisselen voor een thermische melder?

4.2.1: Tijdens het gebruik van de brandmeldinstallatie blijkt dat er ongewenste brandmeldingen ontstaan waardoor de brandmeldinstallatie niet aan de prestatie-eisen voldoet. Bij analyse van de oorzaak blijkt dit te komen door het gekozen type rookmelder.

4.2.3: Is een proefbrand in een mechanisch geventileerde parkeergarage altijd verplicht?

6: Welke eisen gelden voor componenten (doormeldunits) van de brandmeldinstallatie voor de melding van storingsmeldingen?

6.1: Is het gebruik van draadloze componenten in bestaande BMI’s toegestaan?

6.3: Is plaatsing van een handmelder met een klepje in een brandslanghaspelkast toegestaan om ongewenste activering te voorkomen (in een sporthal of school)? En is een handmelder die moet worden geactiveerd met een sleutel toegestaan (in een gevangenis)?

6.3 en opmerking 2 van 10.11.1: Afwijkende handbrandmelder: een handbrandmelder is niet uitgevoerd conform NEN-EN 54-11: in plaats van een contact achter een breekbaar element vindt bediening plaats met een sleutel. Is dat toegestaan?

6.3 en opmerking 2 van 10.11.1: Handbrandmelder voorzien van bescherming tegen onwillekeurige bediening: een handbrandmelder is voorzien van een kunststof beschermkap waardoor een extra handeling moet worden verricht om handmatig een brandalarm te geven.

8.1: Wat is een externe melder?

10.2.2: Hoe om te gaan met verschillende bewakingsvormen binnen een te inspecteren bouwwerk?

10.2.2: Opslag of ontstekingsbronnen in sanitaire ruimten: moet een sanitaire ruimte waarin brandbaar materiaal is opgeslagen of een ontstekingsbron zoals een wasmachine of een droger aanwezig is, van detectie worden voorzien?

10.2.3: Welke ruimten moeten worden bewaakt bij gedeeltelijke bewaking?

10.3 en 10.7: Optische signalering detectiezones op het brandweerpaneel: de fysieke situatie in het gebouw is veranderd. Daardoor wijkt de uitvoering van het brandweerpaneel af van vastgestelde zones. Moet het brandweerpaneel worden vervangen?

10.9: Meerdere brandbeveiligingsinstallaties op een eindgroep: mag de 230 V AC voeding voor de deurmagneten of voor een ontruimingsalarminstallatie type A op dezelfde eindgroep worden aangesloten als die van de brandmeldinstallatie?

10.11.5.8: Melderafstand tot obstakels en wand in een kleine ruimte: in een ruimte van 1 bij 1 meter is verlichting aangebracht. De minimale afstand tot wand van 0,5 m kan niet worden aangehouden. Waar moet de automatische brandmelding worden geplaatst?

10.11.5.12: Hoe moet een trappenhuis worden bewaakt indien in een gebouw gebruiksfuncties met verschillende bewakingsomvang op het trappenhuis zijn aangewezen?

10.11.5.14: Melders in liftschachten: Mag een automatische brandmelder in een liftschacht worden aangebracht als de liftmachine zich in de liftschacht bevindt?

11.4: Moeten ook kabels in de kruipruimte worden voorzien van een bevestiging?

11.8: Aan welke eisen moet een ringleiding binnen een brandcompartiment voldoen?

A.3.3, B.6: Waar staat dat het bevoegd gezag het Programma van Eisen (PvE) niet hoeft te ondertekenen?